Kaatje, Kaatje ben je boven? Ja mevrouw, ja mevrouw, ja. Wil je me wat beloven? Ja mevrouw, ja mevrouw, ja. Tien pond suiker, Vijf* flessen wijn. Doe dat in een keteltje, Roer dat met een lepeltje. O, wat zal dat lekker zijn, O, wat zal dat lekker zijn. *twee, drie, vier, zes, zeven ... etc.